Kees Vendrig: ‘De raadsleden van de coalitie en D’66 lopen als makke lammetjes achter wethouder Meskers aan’

SLOOTDORP – Kees Vendrig woont al 55 jaar in het Joodse Werkdorp, anno 2020 samen met nog 5 andere bewoners, zijn buren. Hij ziet er erg tegen op om straks 160 ‘dorpsgenoten’ meer te krijgen die zijn taal niet spreken en verzet zich met hand en tand tegen de komst van een ‘flexwerkershotel’ op enkele meters afstand van zijn huis.

Als ik het pad van Vendrigs woning oploop komt zijn Labrador-puppie me enthousiast tegemoet. “Hij is nog maar vijf maanden en moet nog veel leren,” zegt zijn baas. Binnen vertelt Vendrig dat zijn vrouw Geertje vorig jaar november is overleden en dat hij haar heel erg mist.

Vendrig werd net voor de Tweede Wereldoorlog geboren in Harmelen, een dorpje in de buurt van Utrecht, dat bekend werd door een ernstige spoorwegramp in 1962. Daarbij vonden 92 mensen de dood. Vendrigs eerste vrouw zat in deze trein maar overleefde de ramp. Uit zijn eerste huwelijk werden 3 zoons geboren.

Vendrigs vader was veehouder en had 30 melkkoeien.“Voor die tijd een flink aantal,” zegt hij. “Verder hadden we schapen, varkens en kippen en maakten we kaas op de boerderij. Ik ben de oudste van 7 kinderen. Tot mijn vijfentwintigste woonde ik thuis en werkte in het bedrijf van mijn vader. In die tijd deed ik ook een stage bij akkerbouwers in de Noord Oost Polder. Mijn belangstelling ging dan ook meer uit naar akkerbouw en landbouwmechanisatie dan naar de veehouderij. Bovendien was de kans dat ik het bedrijf van mijn vader zou kunnen overnemen gering.” 

Aan de muur hangt een schilderij van de boerderij waar Vendrig werd geboren en zijn jeugd doorbracht. Zijn ouders kregen het als geschenk bij hun 35-jarig huwelijk. In 1965 solliciteerde Vendrig naar een functie op de ‘proefboerderij’ in Slootdorp, werd aangenomen en is sindsdien niet meer weggegaan.

Oostwaardhoeve

Hij werkte zo’n 31 jaar op de ‘Oostwaardhoeve’, zoals de grote boerderij jarenlang werd genoemd. In het kader van de Marshallhulp was het de bedoeling dat men zich daar bezig hield met het ontwikkelen van landbouwmachines. Veel machines en tractoren werden geïmporteerd uit Amerika en moesten hier ook gerepareerd kunnen worden. De meeste smeden hadden echter meer verstand van hoeven beslaan dan van trekkers, zodat deze een omscholing nodig hadden. De Oostwaardhoeve bood dan ook theorie- en praktijkcursussen aan en werd de Praktijk School voor Landbouwmechanisatie (PSL) genoemd.

Een smid werd bijvoorbeeld in twee weken ‘bijgespijkerd’ in technische basisbeginselen. Op z’n 22ste volgde Vendrig al eens een cursus in Slootdorp. Vendrig: “Ik ging na de Lagere School naar de Lagere Landbouwschool en toen naar de Middelbare Landbouwschool in Utrecht. Die opleiding was best pittig met een eindexamen in 13 vakken. In die tijd haalde ik ook diploma’s zoals  hand- en machinemelken.”

Medicijnkast

Vendrig leerde ook hoe hij met ‘gewasbeschermingsmiddelen’ moet omgaan. Die middelen behoren volgens hem tot de ‘medicijnkast’ van de landbouw en mogen niet worden aangeduid met ‘vergif’. Vendrig:“Probeer maar eens 30 gram van zo’n middel te verspreiden over een oppervlakte van 10.000 vierkante meter. Dat lukt een leek niet, want dat is een erg kleine hoeveelheid. Het moet dan ook gelijkmatig over die grote oppervlakte verdeeld worden.. Bovendien is er erg veel controle op die middelen, zelfs meer dan op gewone medicijnen, die je bij elke apotheek zo kan kopen.” 

Museumstuk

De gebouwen in het Joodse Werkdorp zijn zeer robuust en volgens Vendrig gaan ze nog jaren mee. Het ‘gemeenschapshuis’ heeft nog de originele dakpannen. Aan de achterkant zijn er wel wat vernieuwd, maar dat komt door de ongunstige ligging voor wat de zon betreft. Er staan nog steeds enkele oorspronkelijke houten gebouwen in het dorpje, waarvan Vendrig er één bewoont: het voormalige naai- strijk en verstelatelier, waarop Domeinen in 1992 een ‘schil’ van aluminium beplating aanbracht. Het gebouw bestaat uit vuren planken en is volgens Vendrig niet vatbaar voor houtworm. Achter zijn woning staat de voormalige brandweergarage van het Joodse Werkdorp. Vendrig laat me de oude slangenwagen van de brandspuit zien die nog door de toenmalige Joodse bewoners gebruikt is. Een museumstuk. Vendrig kocht  zijn woning in 1993 van Domeinen en woont er ‘met trots en plezier’.

Doordouwer

Al in 2009 had de huidige eigenaar van het Joodse Werkdorp, Joep Karel, het plan om er 318 arbeidsmigranten in onder te brengen. Toen was er nog sprake van de gemeente Wieringermeer. De toenmalige wethouder zag het wel zitten. Eigenlijk is het dan ‘vechten tegen de bierkaai’, volgens Vendrig. Hij woonde fractievergaderingen bij om raadsleden te informeren over de geschiedenis van het Joodse Werkdorp en maakte ook gebruik van het inspreekrecht. De uiteindelijke stemming over het plan was ‘een dubbeltje op z’n kant’. De CU stemde tegen, waarna de PvdA dat ook deed. Vervolgens stemden alle fracties tegen. Eigenlijk waren de VVD en het CDA vóór, maar durfden ze dat niet te laten zien tijdens die stemming. Het plan van Karel werd dan ook unaniem van tafel geveegd.

Vendrig: “Wethouder Theo Meskers is nu de ‘doordouwer’. Hij heeft de Coronacrisis gebruikt om z’n zin door te drijven. In februari is het nieuwe plan van Joep Karel weggestemd, maar een suggestie dat 160 arbeidsmigranten voor de raad wel eens aanvaardbaar zou kunnen zijn werd snel opgepakt. Er stond binnen een maand een nieuw voorstel op de raadsagenda.” 

Er werd geprobeerd het inspreken door belanghebbenden tegen te houden, wat niet lukte. Vendrig denkt dat alles van tevoren uitgebreid is besproken en dat de coalitiepartijen het vooraf op een akkoordje hebben gegooid. Hij vermoedt dat Meskers af had moeten treden als het voorstel het niet had gehaald. In de wandelgangen werd al gesproken over een wethouderswisseling.

Makke lammetjes

Vendrig is katholiek en ziet het CDA als ‘zijn’ partij. Toch begint bij hem de twijfel toe te slaan. De CDA fractie stelt zich op het standpunt dat er arbeidsmigranten nodig zijn om een museum mogelijk te maken. Joep Karel heeft die ‘combinatie’ gemaakt omdat hij denkt zo door meer steun zijn zin te kunnen krijgen. Vendrig heeft weinig vertrouwen in de intenties van Karel. Eigenlijk voelt hij zich door het CDA in de kou gezet. In een toespraak had hij eens gezegd: “Raad, jullie bepalen wat hier gebeurt, niet de wethouder.” Hij stelt dat de raadsleden van de coalitie, inclusief de CDA’ers, als ‘makke lammetjes’ achter Meskers aan lopen. Als zoon van een veehouder is hem de dierenwereld niet vreemd en weet hij als geen ander hoe (pot)lammetjes zich gedragen.

Er waren wel enige raadsleden die interesse toonden en open dagen bezochten maar die betitelt Vendrig als ‘losse flodders’. Ze lieten hun gezicht zien voor de vorm, voor de Bühne. Jan Eichhorn en Lilian Peters vormden de uitzonderingen. “Lilian Peters is geboren in het Joodse Werkdorp en heeft er een scriptie over geschreven en weet waarover zij het heeft,” zegt hij.

Flexwerkershotel

De arbeidsmigranten zullen ‘tijdelijke’ huisvesting krijgen, maar wat is tijdelijk, vraagt Vendrig zich af. Ze krijgen volgens Vendrig geen binding met de omgeving. Dat zal zorgen voor allerlei problemen. “Ze zullen de omgeving niet schoon houden en proberen wat vertier te vinden in de nabije omgeving.” Hij ziet het al voor zich: Polen, Bulgaren en Roemenen die zich vervelen, rondzwerven, bierdrinken en vissen in de nabijgelegen vaart. Het lijkt hem beter dat arbeidsmigranten wonen op het agrarische bedrijf waar zij werken of op een fabrieksterrein bij een dorp met voldoende voorzieningen, zoals Wieringerwerf. 

Mocht er toch een flexwerkershotel komen, dan zal deze net als bij een andere accomodatie van Karel worden voorzien van hekken en zullen beheerders worden aangesteld die altijd een oogje in het zeil houden. Maar een dergelijke voorziening kan al gauw doen denken aan een soort van concentratiekamp.

Vendrig ziet iedere dag veel autootjes met arbeidsmigranten voorbijrijden. Dat begint ‘s morgens al om 5:30 uur, waarna ze weer terugkomen vanaf ongeveer 17:00 uur. Veel van hen wonen in eengezinswoningen die vaak zijn opgekocht of gehuurd door uitzendbureaus. Vendrig: “Er zijn er al letterlijk en figuurlijk veel uit de bocht gevlogen.”

Gemeenschapshuis

De Stichting die het gemeenschapshuis (dat al sinds 2002 inclusief de grond tot Rijksmonument is verklaard) als museum wil gaan inrichten heeft nog niet genoeg geld om het gebouw aan te kopen. Voor de aankoop alleen is al 1,5 miljoen euro nodig. Vendrig denkt dat er voor een succesvol museum een veelvoud daarvan nodig is. Het gebouw moet niet alleen aangekocht, maar ook verbouwd en geëxploiteerd worden. Het kost veel tijd alvorens er een goed lopend museum zal zijn. Ook zijn er betaalde krachten én een groot aantal vrijwilligers nodig.

Wethouder Meskers wilde eigenlijk eerst een getekende overeenkomst van de Stichting met Joep Karel en meldde dat er anders geen nieuw voorstel op de agenda geplaatst zou worden. Die overeenkomst is er nog steeds niet maar het voorstel werd wel aan de raad voorgelegd. Nu beweert Karel het museum zelf te gaan opzetten. Daar huurde hij Joël Cahen voor in. Cahen was voorheen directeur van het Joods Historisch Museum te Amsterdam. Vendrig vindt dat een ‘slimme zet’ van Karel.

Museum Flehite

Toch zoekt Karel weer toenadering tot de Stichting omdat de gemeenteraad die eis stelde. Als er 160 arbeidsmigranten gaan wonen zullen vrijwilligers echter nauwelijks te vinden zijn, vermoedt Vendrig. Die vrijwilligers waren er wel in de periode dat de kunstverzamelaar Van Schaik het gebouw huurde. Zo’n 40 vrijwilligers hielpen destijds bij het houden van kunstexposities. Om dat in goede banen te leiden kreeg Vendrig de sleutels van het gebouw. 

Nog steeds probeert hij het gebouw toonbaar te houden. De grindpaden om de boerderij maakt  hij bijvoorbeeld geregeld onkruidvrij. Bovendien leidt hij belangstellenden rond op open dagen. Vendrig: “Van Schaik huurde het gebouw van Joep Karel voor 5000 euro per maand. Dat heeft hem in ongeveer 3 jaar tijd zo’n 200.000 euro gekost. Toen Van Schaik er wegens omstandigheden mee stopte heeft hij zijn kunstcollectie geschonken aan Museum Flehite te Amersfoort.” 

Actiegroep

Samen met zijn ‘dorpsgenoten’ gaat Vendrig door met pleiten voor de goede zaak. Zo nodig van de Raad van State tot en met de Hoge Raad. Arbeidsmigranten horen volgens hem niet thuis in het Joodse Werkdorp. Het is een gemeenschapshuis met een beladen geschiedenis die een passende bestemming moet krijgen. Bovendien is er grote weerstand bij de plaatselijke bevolking om juist op deze plek arbeidsmigranten te huisvesten. De actiegroep geeft zelfs af en toe een krantje uit waarin de laatste ontwikkelingen rond hun dorp worden besproken, de Werkdorperbode. Meer informatie over het Werkdorp, het dorp waar Vendrig zijn leven lang wil blijven wonen: [url|mailto:werkdorp2019@gmail.com|werkdorp2019@gmail.com]

Kees Zwaan

(Foto 1: Kees Vendrig)

(Foto 2: Kees Vendrig bij de slangenwagen van de brandspuit uit de dertiger jaren)

(Foto 3: Het naaiatelier in 1936 waar Kees Vendrig nu woont – Nationaal Archief)

(Foto 4: Een Joodse bewoner met de brandspuit in 1936 – Nationaal Archief)

Delen is leuk
Je leest een bericht uit het rijke archief van Noordkop Centraal



Reageer op dit artikel
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef hier jouw reactie: