Column: Zondagsschennis in de volkstuin

Het is in het jaar 1910. Het is zondag en in het dorp heerst een vredige rust. De meeste dorpelingen zijn naar de kerk geweest en zitten nu uit te rusten in hun schamele woninkjes. Zij denken na over wat de dominee vanaf de kansel predikte. Over het hiernamaals, gehoorzaamheid en spaarzaamheid. Over alle goede deugden. Maar ook over de duivel die je zal ontmoeten wanneer je slechte dingen doet en die je nog voor de hemelpoort zal wegslepen naar de hel als je over de schreef gaat..

Zondag is de dag waarop je rusten moet. Want dat deed God ook toen hij hemel en aarde had geschapen. Zondag is de dag waarop je niet mag werken, maar je je moet overgeven aan contemplatie. Nadenken over wat je fout hebt gedaan en wat je beter kunt doen, zodat je uiteindelijk toch in de hemel komt.

De straten van het dorp zijn leeg. Er is alleen een wielrijder op pad. Hij heeft alle ruimte. Automobielen zijn nog zeldzaam in het begin van de twintigste eeuw. In het dorp heeft mijnheer de burgemeester zo’n vervoermiddel. En jonkheer van de Poll ook. Die heeft een tweecilinder Victoria en een eigen chauffeur. De veldwachter is in het trotse bezit van een rijwiel. Op zijn solide Fongers rijdt hij een rondje door het dorp om te controleren of alle bewoners zich wel aan de plaatselijke verordeningen houden. Dat doet hij iedere zondag. De mensen moeten zich nu eenmaal aan de Wet houden. Ook op zondag. De veldwachter kijkt spiedend om zich heen om te zien of er iets gebeurt wat niet door de beugel kan.

Het meest afgelegen weggetje van het dorp is eigenlijk een wagenspoor. Zo af en toe wordt het gebruikt door een boer met zijn paard en wagen. Of door een eenzame ruiter. Een flinke lap grond is door paaltjes met ijzerdraad verdeeld in gelijke stukken. Het zijn weelderige volkstuintjes vol met groentes. Sla, wortelen, andijvie, sperziebonen en aardappelen. En hier en daar bloemen. Vooral goudsbloemen en oostindische kers. In één van de tuintjes is een man met een schoffel bezig zijn moestuintje te ontdoen van onkruid. Fluitend beweegt hij zijn schoffel soepel tussen de rijen groentes. Hij heeft er duidelijk plezier in. De sperziebonen voor het avondeten heeft hij al geplukt.

‘Kom hier’ snauwt de veldwachter hem op bitse toon toe. De man legt met tegenzin zijn schoffel op de grond en loopt naar de veldwachter die zijn fiets intussen tegen het toegangshek heeft gezet. ‘Wat is er aan de hand?’ vraagt de volkstuinder. ‘Ik zie dat je aan het werk bent in de tuin’ zegt de wetsdienaar. ‘En dat mag niet. Want het is zondag. Op zondag mag men niet in de tuin werken. Ik heb uitdrukkelijk de opdracht van mijnheer de burgemeester om daar op toe te zien’. ‘Maar ik heb alleen wat groente geplukt en wat onkruid weggehaald’ zegt de man op verontschuldigende toon. ‘Niks mee te maken, je krijgt een bekeuring’ zegt de veldwachter, ondertussen een klein boekje uit zijn uniform toverend. ‘Dat is een flinke boete’. Op het bonnetje staat vermeld: twee gulden en vijftig cents. ‘Maar dat mijn hele weekloon’ zegt de volkstuinder vol ongeloof. De man is duidelijk aangeslagen. ‘Wet is wet. Het is je eigen schuld’ roept de veldwachter nog, wegfietsend om zijn patrouille voort te zetten. Op zoek naar andere wetsovertreders. Dat is heel normaal, want dorpsbewoners moeten zich aan de Wet houden.

Kees Zwaan


Publicatiedatum: 6 december 2021
Categorie: Column
Kees Zwaan is vast columnist van Noordkop Centraal.



Reageer op dit artikel
2 replies

Leave a Reply

Want to join the discussion?
Feel free to contribute!

Geef hier jouw reactie: