Column: Geen vakantie voor fabrieksarbeiders

Er zijn op dit moment drie parlementaire enquêtes. Af en toe pakt de Tweede Kamer wantoestanden aan en gaat deze onderzoeken. Dat gebeurde ook aan het eind van de negentiende eeuw toen er sprake was van een grote groep uitgebuite fabrieksarbeiders. Tegen het einde van de negentiende eeuw werd ook duidelijk dat het bijzonder slecht gesteld was met hun vrijetijd. Sommigen hadden maar vier dagen per jaar vrij. Een weekje vakantie in Callantsoog of Zandvoort was er dan ook niet bij. In 1887 werd een parlementaire enquête gehouden rond de leef- en werkomstandigheden van fabrieksarbeiders. De enquêtecommissie kwam met onthutsende conclusies. Een pastoor verklaarde tijdens een verhoor: ‘Het fabrieksleven vind ik het onhebbelijkste en ongelukkigste leven dat er is; maar dat is niet te veranderen, er moeten fabrieken zijn en dus fabrieksarbeiders.’ De pastoor nam daarmee een maatschappijbevestigende houding aan en vond de situatie blijkbaar vanzelfsprekend.

Tijdens de parlementaire enquête werd ook de steenrijke directeur Petrus Regout – van de bekende Sphinx fabrieken- ondervraagd over de arbeidsomstandigheden in zijn bedrijf. Het bleek het meest opzienbarende verhoor want Regout liet zich daarbij kennen als ‘bikkelhard’. In zijn glasblazerij werkten jongens van twaalf jaar om de andere week in de nachtploeg.  Een arts vertelde over de gevolgen van zulk werk: ‘De kinderen vermageren, zien er zwak en miserabel uit; zij krijgen kromme beenen; door het hangen en staan ‘s nachts worden zij zoo vermoeid dat de ledematen zich daardoor krommen. Een groot aantal kinderen ziet er na een verblijf van eenige jaren in de fabriek ziekelijk uit; zij beginnen te hoesten, er volgt chronische ontsteking der slijmvliezen die ook de longen aantast en eindelijk komt de tering; het hoesten neemt langzaam toe, gaat over in longtering en eindigt voor velen tussen het dertigste en veertigste levensjaar met de dood.’ Regout beweerde dat hij zijn arbeiders één betaalde vrije dag per week had aangeboden, maar dat zij liever bleven werken. De meeste arbeiders hadden in zijn fabrieken slechts vier dagen per jaar vrij. De ‘stokers’ zelfs nooit.

Sociaal historicus Jacques Giele concludeert terecht dat: ‘Het fraaie zelfgemaakte beeld dat de bourgeoisie zo lang in stand had weten te houden, plotseling in diggelen lag. Van het rustige tevreden Nederland waar geen wantoestanden bestonden zoals in andere landen, waar geen kinderen afgebeuld werden en waar de arbeiders met de pet in de hand hun plaats wisten – van dát Nederland bleef weinig over. En daarvoor in de plaats kwam een heel ander beeld naar voren: een land waar vrouwen en kinderen in de fabrieken dertig tot veertig uren aan één stuk door moesten werken, waar ondernemers hun arbeiders sloegen, waar mannen op hun werk dood neervielen, waar armoede, honger en ziekte het leven van honderdduizenden ondraaglijk maakte.’

Niet alleen werden fabrieksarbeiders slecht betaald, ze hadden ook veel te weinig vrijetijd om van hun arbeid te herstellen. Hun korte leven bestond bijna uitsluitend uit werken, slapen en eten. Daarnaast waren de omstandigheden waarin ze moesten werken vaak uitermate slecht en ongezond. Werkgevers en machthebbers hadden er geen oog voor of lieten het oogluikend toe. Kortom, het economisch liberalisme liep volkomen uit de hand. In die situatie was het logisch dat de socialistische beweging voet aan de grond kreeg en ging streven naar betere leef- en werkomstandigheden, betere betaling én meer vrijetijd. Vrijetijd die doorgebracht zou kunnen worden op het strand in Zandvoort of Callantsoog. De ‘moderne’ spoorwegen om ze te vervoeren naar vakantiebestemmingen lagen er al.

Dat ‘het gewone arbeidersvolk’ in 1887 nog niet massaal van de trein gebruikmaakte beschrijft Giele aangrijpend: ‘Het langgerekte gebouw lag er verloren bij op een gure ochtend in het begin van januari in het jaar 1887. Op één van de winderige perrons stond een klein groepje vrouwen dicht bij elkaar. Onwennig keken zij naar reizigers die zich van en naar de treinen haastten. (…) Voor de vele voorbijgangers vormden de vier vrouwen niet meer dan een bizar groepje dat op het station duidelijk uit de toon viel. Hun armoedige kleding leerde dat zij tot de arbeidende klasse behoorden. Zij waren arbeidsters van de Koninklijke Fabriek van Waskaarsen. In Amsterdam stonden zij bekend als de ‘waspitten’ – waarschijnlijk omdat zij zo bleek als was zagen.’  De vrouwen waren op weg naar Den Haag om voor de enquêtecommissie te verschijnen. Zij reisden in de goedkoopste klasse. In dezelfde trein, maar dan eerste klasse, reisde hun zwaarlijvige directeur, de 44-jarige Lodewijk Hartogh, mee. Hij was ook uitgenodigd door de enquêtecommissie. Hartogh behoorde tot de uitverkoren groep die wél voldoende vrijetijd én geld had om op vakantie te gaan; het zou nog erg lang duren voordat vrouwen zoals de ‘waspitten’ een weekje naar het Zandvoortse of Callantsoger strand konden gaan. In 1919 werd de achturige werkdag ingevoerd en in 1961 de vijfdaagse werkweek. Pas in 1966 kwam een wettelijke vakantieregeling tot stand…

Kees Zwaan




Reageer op dit artikel
0 antwoorden

Plaats een Reactie

Meepraten?
Draag gerust bij!

Geef hier jouw reactie: